De Tibetaanse terriër (of Dhoki Apso) werd door de nomadenstammen in Tibet (ook wel 'het Dak van de Wereld' genoemd) gebruikt om kudden te hoeden in het berglandschap waar grotere honden moeilijk(er) konden werken. In feite is de naam 'terriër' onjuist, want dit ras heeft nog nooit 'aardwerk', waarvoor de 'terriërs' oorspronkelijk gebruikt werden, gedaan. Eigenlijk zou dit ras dus onder de 'herdershonden' moeten vallen. Door monniken in de kloosters in Tibet werd de Tibetaanse terriër als gezelschapshond gehouden.
Volgens oud Tibetaans bijgeloof zou de Tibetaanse terriër geluk brengen. Om dit geluk niet te tarten, werden ze niet verkocht en werden er geen andere rassen ingekruist. Wel werden ze cadeau gegeven als blijk van hoge waardering.
Een Engelse arts Dr. Agnes Greig genas een Tibetaanse vrouw en in ruil daarvoor kreeg zij een puppy van een Tibetaanse terriër cadeau. Zij begon dit ras te fokken in de 20er jaren in India en vanaf de 30er jaren in Engeland, toen zij daar terugkeerde.
Als kennelnaam had zij 'Lamleh'. Deze Lamleh's zijn de basis van onze huidige bloedlijnen.
Dit oude ras dat eeuwenlang in het van de buitenwereld afgesloten Tibet werd gefokt en door de Tibetanen als geluksbrenger werd beschouwd, kwam in de 30er jaren dankzij Dr. Agnes Greig voor het eerst naar Engeland.
In tegenstelling tot wat zijn naam ten onrechte zou doen vermoeden, is de Tibetaanse terriër een middelgrote herdershond. Dankzij zijn dubbele vacht, een lange op mensenhaar gelijkende bovenvacht en een wollige ondervacht, is hij bestand tegen de meest extreme temperatuurschommelingen.
Om te kunnen overleven in het barre klimaat en het woeste, haast ontoegankelijke Tibetaanse landschap, beschikt hij over nog enkele belangrijke troeven. Zijn grote platte ronde voeten, die als het ware dienst doen als sneeuwschoenen, zorgen ervoor dat hij niet wegzakt in de sneeuw. Om vlot te kunnen bewegen op een over het algemeen ruw en rotsig landschap beschikt hij over een soepel lichaam, dat vierkant van bouw en heel wendbaar is. Door het leven op grote hoogte in ijle lucht was een stel grote sterke longen onontbeerlijk. Deze zorgen ervoor dat de Tibetaanse terriër over een heel goed uithoudingsvermogen beschikt.
De Tibetanen gaven hem ook vaak de naam 'kleine mens', omdat hij bijzonder intelligent is en het soms lijkt alsof hij zelfstandig kan denken en er dan ook naar handelt. Ondanks zijn sterke persoonlijkheid is het een echte gezinshond, die ontzettend gehecht is aan zijn familie. Zijn aangeboren herdersinstinct zorgt ervoor dat hij op wandelingen steeds zal trachten om iedereen bij elkaar te houden, al is hij daar niet zo extreem in als andere herdershonden.
De Tibetaanse terriër is speels en opgewekt tot op hoge leeftijd. In huis is hij meestal rustig en kalm. Hij blijft steeds waakzaam en alert.
Door zijn veelzijdigheid is de Tibetaanse terriër geschikt om meerdere disciplines in de hondensport te beoefenen. Bij de lessen gehoorzaamheid zal hij zijn mannetje best kunnen staan en er zelfs heel goede resultaten behalen, op voorwaarde dat er genoeg afwisseling in de lessen zit. Door zijn wendbaarheid is hij uitermate geschikt voor agility (behendigheid) en op de dansvloer kan hij zich uitleven in doggy dance.
Al die eigenschappen zorgen ervoor dat de Tibetaanse terriër een veelzijdige hond is, die in onze moderne maatschappij zijn vaste plaatsje kan innemen en de harten van jong en oud weet te veroveren.
De vele kleuren (zandkleur, crème, wit, zwart, grijs, twee- of driekleurig, zoals zwart-wit, zandkleur met wit) en de verschillende tekeningen in de vacht die er bij de Tibetaanse terriër voorkomen, zorgen ervoor dat ieder van hen uniek is. Ook chocoladebruine Tibetaantjes bestaan, maar zij voldoen niet aan de rasstandaard, zij zijn met het verkeerde jasje aan geboren.
Een goede verzorging is voor de hond van groot belang. Een goed verzorgde hond loopt nu eenmaal minder kans om ziek te worden. Verzorgen is echter niet alleen een noodzakelijke bezigheid, maar ook een plezierige: baas en hond hebben even aandacht voor elkaar. Bovendien is dat bij uitstek het moment voor een spelletje of een knuffel. Bij onvoldoende verzorging kan de ondervacht gaan vervilten (klitten).
Een goede vachtverzorging bestaat uit regelmatig borstelen of kammen en een controle op ongedierte (vlooien). Hoe vaak een hond geborsteld of gekamd moet worden, hangt af van de lengte en de structuur van de vacht. Bij de Tibetaanse terriër komt dit neer op zeker eens per week en maximaal twee maal per week.
Gebruik voor de vachtverzorging het juiste materiaal. Kammen mogen niet te scherp zijn. Kies een borstel met metalen pinnen (zonder knopjes op de pinnen) en metalen kammen, met verschillende afstanden tussen de tanden. Borstel of kam altijd van kop naar staart, met de richting van de haren mee. Het is het beste om de vacht in laagjes onder handen te nemen. Met de ene hand strijkt u het haar omhoog om aan de buikzijde te beginnen. Door steeds een nieuw laagje te nemen wordt de hele vacht mooi los gekamd. De vacht kan dan nog nagekamd worden met een niet te fijne metalen kam. Wanneer je een pup al op jonge leeftijd aan het borstelen went, zal hij de vachtverzorging vanzelf prettig gaan vinden.
Doe een hond pas in bad als het echt nodig is, een langharige hond als de Tibetaanse terriër hoeft niet vaker dan een paar maal per jaar in bad, tenzij hij geshowd moet worden. Doe hem ook eens in bad als hij klein is, dan is hij gelijk gewend aan het water en de föhn. Gebruik altijd een hondenshampoo. Zet de hond op een antislipmatje en stel hem op zijn gemak. Zorg ervoor dat de shampoo niet in de ogen of oren komt en spoel het schuim goed uit. Gebruik daarna een goede hondenconditioner, zodat de vacht gemakkelijker geborsteld kan worden.
|
|
Eens een Tibetaan altijd een Tibetaan |
|
|
Een bolletje haar met een hart van goud |
|
|
Vlug en beweeglijk, met vlotte speels dansende en trippelende bewegingen;
als hij langzaam stapt met een wiegende gang van een beer, in snel tempo geeft
hij de indruk van een rollende bal haar |